|
Koen de Cauter heeft onlangs een CD of drie gemaakt. De Cauter (Sinds Wannes van de
Velde weten we dat een zanger een groep is, maar daarover later meer.), Koen De
Cauter, doet daarmee een gooi naar de zichzelf overtreffende trap. En daar kunnen
we met zijn allen alleen maar enorm blij mee zijn. Het is een octopusoefening die
past bij wat hij al 30 jaar en een kleine 20 CD's doet: zó spelen alsof het op dat
moment in en uit hemzelf opkomt, bedachtzaam, maar ook in trance; passioneel, maar
ook overdacht; onbetreden, nieuw maar ook ontdaan van elke theatrale waan. Bekend
gebied, maar ongekend want eigen terrein.
Het muziekinstrument als het verlengde van je handen, je muziek als de voortzetting
van je ziel. De noten zijn je adem, de toonladders je gedachten, klanken hebben
slechts de kleur van je eigen gevoelens. Naar dat musiceren en ook naar die
communicatie met de buitenwereld, streeft Koen De Cauter al een heel leven, en
wie hem als toehoorder kent weet dat hij dat steeds dichter benadert. Het gevoel
dat Koen met essentiële expressie bezig is, maakt dat hij nooit verveelt, slechts
zelden als live-muzikant op automatisch doorschakelt, of in de studio slechts bij
grote uitzondering ongeïnspireerd zou zijn.
Wie hem pas in deze ronde, pas bij deze voorstelling, zou ontdekken, en het
universum van De Cauter moet aftoetsen bij wat er zoal te koop is aan muziek,
zal dit ook meteen ervaren. Deze muziek verschilt zodanig van wat er anders is,
dat het alleen maar aan de eigen biotoop ontsproten kan zijn. Ook al leent het
dan zeer veel reeds bestaande elementen, als eindproduct is het 100% eigen
muziek, helder in haar streven en puur in haar uitvoering.
Bij De Cauter zelf, het moet gezegd, leeft die overtuiging minder, geconfronteerd
als hij wordt met het vaak eenzame labeuren, het schaven en vijlen dat toch maar
zelden leidt tot doorbraak in zijn kunst, voor zichzelf, of tot groter begrip, bij
het publiek.
Ik zeg met opzet De Cauter, ook al bedoel ik in wat voorafging Koen. Maar de
andere leden van het De Cauter Quintet bewijzen steeds meer dat de eigenheid
van de vader ook de volgende generatie kenmerkt.
Waso, Vigdis, Dajo en Myrddin zijn stuk voor stuk persoonlijkheden die dezelfde
idiosyncratische weg zijn ingeslagen en niet hoeven om te kijken om te zien
waar dat pad een dwaalspoor zou kunnen zijn. Ze vliegen zelf, meer wel dan niet
op eigen vleugels, maar het terugkeren naar het thuisnest resulteert bij elke
passage in een intensere ontmoeting. Het rustige meesterschap van het De Cauter
Quintet in Ulysse is hiervan een schitterend voorbeeld, het beste dat tot op
heden werd geleverd.
De eigenheid van deze muziek sluit niet uit dat zij zich inschrijft in de
grote Europese muziektradities - meervoud: chanson, gipsy jazz, Vlaamse en
Hongaarse volksmuziek, flamenco, musette, klassiek. (Een zanger is ook in
dat opzicht nog altijd een groep.)
De meeste van de genoemde vormen komen terug op Ulysse.
Wannes van de Velde (hij weer) en Georges Brassens (zij weer) zorgen elk tweemaal
voor de woorden, maar de arrangementen van het Quintet halen ze binnen in het eigen
De Cauter-universum. Het Quintet treedt aan als ernstig kamermuziekensemble en hitsig
csardasorkest, het speelt beheerste luie jazz, onmiskenbare Djangologie en
impressionisme met rijk palet en variatie. Enkele standards wisselen af met
eigen composities, het simpelste volksdeuntje met ernstige muziek. De bedachtzame zorgvuldige uitvoeringen van de tweede generatie De Cauters, de prachtig gevormde klank van bas of klarinet, het mijmeren over toetsen en snaren, onderschrijven en versterken de sax en sologitaar van de eerste, de vader. Het geheel straalt een rijkheid uit die zeldzaam is geworden.
Vanuit die kwaliteit is meewerken met anderen uiteraard alleen maar een feest.
Velen maken er gebruik van. Koen stelt hier CD's voor van drie verschillende labels.
In het CD-lijstje van de voorbije 15 jaar staan er nog veel meer.
De muzikanten met wie Koen speelt zijn niet zomaar te tellen. Het zijn er zeer velen,
in binnen- en buitenland, en in de verschillende genres die Koen beoefent.
Met Jopie Jonkers speelt Koen al samen van in het begin van de jaren 1990. Moriré
en Buenos Aires is de derde CD waarin Jopie met Koen samenwerkt. Jopie is een van die
zeldzame zangeressen die een genre zeer goed kunnen beheersen en daarbij toch zichzelf
blijven. Jonkers zingt prachtig, loepzuiver en met uitstekend accent. Daarbij weet zij
dat nog eens te combineren met begeleiding op Zuid-Amerikaanse harp. Voorwaar een
ongewone verschijning in de muziek van de lage landen. In de loop der jaren is Jopie
Jonkers haar voornamelijk Spaanstalige repertoire steeds meer gaan variëren.
Op eerdere CD's en ook live is het Franse chanson graag aanwezig. Hier blijft
het variëren binnen de muziek van Latijns Amerika. De liederen met Paraguayaanse
harp uit de beginjaren staan nu minder centraal. Ernaast komt Argentijnse rurale
muziek, Athahualpa Yupanqui, Eduardo Falú, en tango uit Buenos Aires.
In de eerste vorm rendeert de buitengewone klank van De Cauters sologitaar, verstild
en prachtig. In de tango's kleurt en stuwt de gitaar de ritmiek. In twee grote
liederen van het duo Horacio Ferrer en Astor Piazzolla is er ook nog bijstand
van piano, accordeon en viool. Moriré en Buenos Aires is daarmee een erg mooi en
afwisselend groepswerk geworden.
Ook hier laat overigens de tweede generatie De Cauter zich opmerken. Het slagwerk van
Myrddin De Cauter is prachtig efficiënt en bescheiden. De jongste De Cauter bewijst
echter vooral in Se equivocó la paloma hoeveel hij in de mars heeft. Zijn arrangement
voor strijkkwartet is van een uitzonderlijke schoonheid en originaliteit. Myrddin
deed het voor de vorige CD van Jopie Jonkers als eens voor een klassieker uit haar
repertoire, Alfonsina y el Maar, maar dit nieuwe arrangement lijkt mij nog meer op
de plaats.
Een man als Koen De Cauter mogen ontmoeten en goed leren kennen, en later, gaandeweg
ook al zijn kinderen, heb ik persoonlijk altijd ervaren als een van de belangrijkste
bonussen van mijn jaren van activiteit binnen de Vlaamse scène van de 'muziek met
wortels'. Het was dan ook onvermijdelijk dat ik op Koen en de zijnen beroep zou
doen toen ik mijn aandacht vooral ging richten op de Vredesconcerten te Passendale.
Dat deed ik eigenlijk al onmiddellijk. Voor het allereerste concert in 1992,
schreef Koen muziek bij het mooie gedicht van Emile Verhaeren, Aux Soldats morts,
dat hier trouwens subliem hernomen wordt door de volgende generatie. In 1997 was
hij de muzikale leider in de op papier onwaarschijnlijk lijkende combinatie van
de songs van Robb Johnson met de muziek van Koen De Cauter. De samenwerking met
Roy Bailey, Vera Coomans en the Golden Serenaders slaagde niettemin. In 1999
volgde dan le Grand Troupeau, de bijzonder intensieve maar uiteindelijk, naar
mijn gevoel, zeer geslaagde samenwerking tussen Koen, Patrick Riguelle en het
Zuid-Franse ensemble Une Anche Passe, rondom het werk van Jean Giono.
Met de jaren ontdekte ik ook bij Koen een rechtstreekse band met de thematiek
van de Eerste Wereldoorlog, zoals ik die ook bij mezelf ontdekte. In 2001
resulteerde dat in iets wat een heel persoonlijke tocht geworden is. Ik herinner
me als de dag van gisteren de creatie, in embryo, in de zomer van 1998, van
Tegenstroom. Koen en ik alleen musicerend en vertellend aan de oever van de
IJzer, het verhaal van onze eigen voorvaderen in de oorlog. Maar een paar
kilometer verder stroomafwaarts had dit hele drama zich afgespeeld; het was zelfs
nog veel dichter dan dat: vóór ons in de zaal zaten Koens moeder
en oom, en zat
ook mijn vader, nog, even beduusd als wij te luisteren naar wat, meen ik, heel
persoonlijke en zo goed als onuitgesproken familiegeschiedenis was. Tegenstroom
werd in 2001 opgehoogd met ou La Grande Revue des Cyclistes, dat wil zeggen de
hele familie De Cauter kwam erbij, en ook West-Vlaamse deelgenoten Herlinde
Ghekiere en Steven Decraene. De repetities hadden plaats in het eigen huis
in La Hamaïde, beladen met geschiedenis, gekoesterd in de warme gastvrijheid
van Lucie, echtgenote, moeder, en eindeloos steunende en begrijpende medestander.
Tegenstroom werd een verhaal van nog steeds dezelfde twee soldaten van het
IJzerfront, maar meer dan ooit was dat een verhaal van die hele Vlaamse/Belgische
ervaring in de Eerste Wereldoorlog. De CD die er vandaag van bestaat geeft de
belangrijkste muzikale momenten weer, naast, voor het eerst, ook het volledige
verhaal, als eerste nummer van de CD, dat voor computergebruikers eenvoudigweg
te downloaden is.
Wat volgt is nog altijd zeer persoonlijk, maar vooral persoonlijk via een
zoektocht naar de taal en de mentaliteit van onze voorouders toen: Gezelle,
Verhaeren, Jammes, die teksten moeten de hunne zijn geweest; maar daarnaast ook
weer de onze: Brassens, Van de Velde (de cirkel is rond). "Het is," zoals Koen
schrijft: "terug naar het begin. Maar tezelfdertijd een stap vooruit in mijn
muzikale reis naar meer eigenheid in mijn manier van uitdrukken. Of beter ónze
manier, er is immers al een volgende generatie en elke generatie komt altijd
min of meer voor dezelfde verschijnselen te staan. Nu wij, dus, al die andere
vormen - traditionele jazz, klassieke muziek, chanson, flamenco, zigeunermuziek,
etc. - enigszins hebben doorleefd, ware het goed een eigen uiteindelijkheid,
niet te zoéken, maar stap voor stap te vinden, maar nooit helemaal, God beware
ons voor echte eindigheid."
|